Mijn ex-collega’s van RAAP zijn bezig met een archeologisch onderzoek in kamp Westerbork. Vorige week ben ik twee dagen naar Westerbork gegaan om hun daarbij te helpen. Dat kwam deels voort uit belangstelling, deels vanwege de gelegenheid om nog eens een paar aangename dagen met mensen door te brengen waarvan ik nog steeds spijt voel dat ze niet langer mijn collega’s zijn en deels vanwege het feit dat dit het soort onderzoek is dat je niet alle dagen tegenkomt.
De geschiedenis van kamp Westerbork behelst meer dan het Durchgangslager van de Nazi’s en het is niet voor iedereen hetzelfde oord van verschrikking, maar door het doel van de opgraving speelt deze specifieke periode van het kamp in mijn hoofd toch eerste viool. Nu is het een grotendeels lege vlakte in het bos, waar de locatie van de barakken en andere structuren is aangegeven met lage verhogingen in het gras.
Het was gezellig, het was interessant, maar het was vooral nogal verwarrend. Het onderzoek concentreerde zich (vorige week) op het voormalige huis van de kampcommandant en ik zat daar bakstenen schoon te maken en stukjes aardewerk van minder dan een eeuw oud te zoeken. Als steentijdarcheoloog heb ik me meerdere malen afgevraagd wat ik daar aan het doen was. Als iemand me had gevraagd om eender welk huis uit 1939 op te graven (of liever gezegd, de tuin van het huis, want het huis staat er nog), had ik vriendelijk bedankt. Maar dit is niet zo maar een huis, het is het huis van de SS commandant van ook niet zo maar een plek, het is een huis in kamp Westerbork, een plek van waar talloze mensen op een trein naar de dood gezet zijn.
![]() |
Archeologisch onderzoek bij het huis van de commandant van Westerbork. Foto: Herinneringscentrum Kamp Westerbork |
Deels als voorbereiding op en deels als gevolg van het onderzoek ga je achtergrondinformatie over Westerbork verzamelen, over de onberispelijke commandant Gemmeker die zo glad was dat hij na de oorlog niet veroordeeld kon worden voor de ergste van zijn misdaden, over de fotograaf Breslauer die voor de moeite die hij zich voor Gemmeker deed beloond werd met een enkele reis Auschwitz, over Anne Frank, die er ook een tijd met haar familie gevangen zat en over Etty Hillesum.
Haar dagboeken, die ze van 1942 tot vlak voor haar dood in 1943 bijhield zijn na de oorlog uitgegeven (pas in 1981, door gebrek aan belangstelling!) en maken op dit moment diepe indruk op mij. Ze was een bijzonder vrouw, die nooit ouder dan 27 geworden is, maar wier woorden van inzicht en wijsheid getuigen die je normaal zou verwachten bij iemand van aanzienlijk hogere leeftijd, gepaard aan de twijfels en onzekerheden die bij haar leeftijd en tijdsperk hoorden. Zij heeft al haar energie, en uiteindelijk haar leven, opgeofferd om de gevangenen in Westerbork bij te staan. Haar hulpbereidheid was zo groot dat zij vrijwillig af gezien heeft van de kans om aan transport te ontkomen en de laatste woorden in haar dagboek zijn: ‘Men zou een pleister op vele wonden willen zijn’. Ik was nog het meeste onder de indruk van een passage uit het begin van haar dagboeken:
‘Dit probleem ligt in deze tijd. De grote haat tegen de Duitsers, die het eigen gemoed vergiftigt. […] Tot opeens enige weken geleden plotseling de verlossende gedachte kwam, die als een aarzelend, piepjong grassprietje omhoogstak tussen een woestenij van onkruid: En al zou er maar één fatsoenlijke Duitser bestaan, dan zou die het waard zijn om in bescherming genomen te worden tegen de hele barbaarse bende en om die ene fatsoenlijke Duitser zou men dan niet zijn haat mogen uitgieten over een heel volk.
Dit betekent niet dat men halfzacht staat tegenover bepaalde stromingen, men neemt stelling, men is op gezette tijden verontwaardigd over bepaalde dingen, men tracht wat inzicht te krijgen, maar die ongedifferentieerde haat is het ergste wat er is. Het is een ziekte van de eigen ziel.’
Deze woorden zijn opgeschreven door een vrouw die de laars van de Nazi’s in de meest letterlijke zin van het woord in haar nek voelde, slachtoffer van ongedifferentieerde haat jegens een heel volk die over haar werd uitgegoten, die mensen om zich heen weggevoerd zag worden en die wist dat zijzelf uiteindelijk ook niet aan het Grote Sterven zou ontkomen:
![]() |
Etty Hillesum had alle reden om te haten, maar had zelfs in de omstandigheden waarin zij moest overleven het inzicht dat ‘Nazi’s’ niet hetzelfde zijn als ‘Duitsers’ en dat je geen heel volk mag veroordelen om de daden van een deel daarvan. Dat maakt dat ik diepe bewondering voor haar koester en bijna letterlijk vol tranen schiet als ik stil sta bij haar lot. Dat mogen al die verwende, kleinzielige dorpdenkers, die zeveren over ‘de Marokkanen’ en ‘de Polen’ omdat ze bang zijn dat Nederland straks alleen nog maar het op vier na rijkste land ter wereld is, zich ook wel eens aantrekken.
107.000 levens verwoest, want ook de schamele 5.000 overlevenden zijn natuurlijk voor het leven verminkt. Kamp Westerbork is een perverse plek, het begin van het einde voor zoveel mensen. De obsceniteit van het kampsysteem, waarbij joodse gevangenen in een positie werden geplaatst waarin ze moesten beslissen over wie er op transport naar de vernietigingskampen werd gezet en wie niet, in de (doorgaans ijdele) hoop het er zelf levend van af te brengen, kun je niet in beelden of monumenten vangen.
Die obsceniteit moet je, die kun je alleen maar proeven op een dergelijk plek, waar de leegte van het terrein misschien nog wel meer ontzetting losmaakt dan een diorama van scheefgezakte en wegrottende barakken. De herfstregen en het neerslachtige weer hadden natuurlijk ook wel wat te maken met de naargeestige sfeer die in het kamp heerste, dat snap ik ook wel, maar als je dan in het huis naar de ingebouwde wastafel van de commandant staat te kijken, realiseer je je dat het wèl zin heeft om hier die stomme bakstenen en het grindpaadje naar de Kommandantur op te graven; Westerbork is nu al vrijwel helemaal verdwenen; rucksichtslos met de grond gelijk gemaakt uit desinteresse voor het historisch belang van de materiële resten van de Nazibezetting en de Holocaust.
Nu is die interesse er wel, maar is het bewijs bijna weg. Een baksteen en een grindpad op zichzelf zeggen helemaal niets, maar in het grotere verhaal kunnen archeologische gegevens belangrijk bijdragen aan het vasthouden van de herinnering aan wat we eigenlijk vaak liever niet willen zien.
Nu is die interesse er wel, maar is het bewijs bijna weg. Een baksteen en een grindpad op zichzelf zeggen helemaal niets, maar in het grotere verhaal kunnen archeologische gegevens belangrijk bijdragen aan het vasthouden van de herinnering aan wat we eigenlijk vaak liever niet willen zien.
Gaarlandt, J. (red.), 1981. Het verstoorde leven. Dagboek van Etty Hillesum, 1941-1943. Uitgeverij De Haan, Weesp.

