Henk of Armenia III-1: Er komen

Ik ben nooit een grote fan van vliegen geweest. Ik keek daarom met stevige tegenzin uit naar gisteren. Ik heb geen vliegangst, ik vind vliegen gewoon een zeer vervelende, saaie en ongemakkelijke manier van reizen.

Om half zeven ‘s ochtends inchecken op Schiphol, Dat gaat allemaal nog vrij soepel en de vlucht naar Parijs vertrekt redelijk op tijd. Spijtig dat dat wordt gecompenseerd doordat er zo’n enorme vierkante Hollandse reus in de stoel naast mij ploft en onmiddellijk met zijn torso de hele rij domineert.
Die vluchten naar Parijs zitten altijd vol met met zakenmannetjes (die elkaar ook allemaal lijken te kennen) met snelle pakken, patserige polshorloges, slecht gepoetste schoenen in de verkeerde kleur en van dat geboetseerde, slordige, net te lange haar. De wandelende kluisdeur die de stoel naast mij aan het uitwonen is heeft een mooi, klassiek pak aan en zijn schoenen zijn zelfs gepoetst en van de goede kleur. De teleurstelling is daarom ook groot als hij zijn jasje uittrekt (het is meer alsof er een tent afgebroken werd) en hij een heel lelijk hemd met een overdreven kraag en (walg!) elleboogstukken blijkt te dragen.
Amsterdam-Parijs duurt gelukkig niet lang, dus verlossing van de overhangende Viking komt snel. Om half tien stort ik me in de kolkende, lawaaiige chaos van Paris-Charles-de-Gaulle.

Degene die voor het eerst opdracht heeft gegeven voor het ontwerpen van een vliegveld heeft de ontwerpers duidelijk op het hart gedruk: Maak het groot, maak het onoverzichtelijk en gooi alle logica overboord. Hang het vol met onbegrijpelijke en elkaar tegensprekende wegwijzers en vul het met onverschillig, vijandig personeel en andere onoverkomelijk hindernissen. Reizigers die door dit alles niet ontmoedigd worden dienen de genadeklap te krijgen door middel van vernederende controles door de douane. Dit idee heeft overduidelijk navolging gevonden en Paris-Charles-de-Gaulle is één van de betere voorbeelden.

Met enig geluk heb ik de goede vertrekhal gevonden, maar als ik de hoek om loop blijkt deze compleet gevuld met een eindeloze menigte Afrikanen, waarvan een aanzienlijk deel, liefst midden in de enige smalle doorgang, hun baggage aan het ompakken is in een soort  grote, plastic boodschappentassen. Waarom ze dat niet gewoon thuis doen is me niet helemaal duidelijk. Anderen werpen zich intussen in de mêlée voor een doorgang naar de beveiliging (dit proces ‘in de rij staan’  noemen zou een buitengewoon gewelddadige aantasting van de waarheid zijn).
In die zee van Afrikanen word ik als vanzelf meegenomen naar de lopende band, metaaldetector/schandblok waar de onverschillig kijkende bewakers me nog net mijn broek laten aanhouden. Het spreekt natuurlijk vanzelf dat de hierboven genoemde boodschappentassen hier (25 meter verder) op last van de hermandad allemaal weer worden uitgepakt voor controle.

De grote hoeveelheid Afrikanen wordt verklaard door de bestemmingen op de borden boven de gates: Monrovia, Brazzaville, Libreville, Abidjan. Blijkbaar valt Jerevan onder de exotischere bestemmingen. Al deze mensen hebben de drie uur wachttijd op de vlucht naar Jerevan aanzienlijk veraangenaamd. Ze zien er namelijk schitterend uit.
Vrouwen in West-Afrikaanse kleding zie je in Leiden ook wel eens: Zeer fantasierijke kapsels met bont gekleurde sjaals in hetzelfde patroon als hun jurk daar door– of omheen geknoopt, niet zelden met een kleine stoet kinderen (in driedelige kostuumpjes!) aan hun rokken. De mannen dragen vrij opzichtige pakken. Het is niet helemaal mijn smaak, maar ze dragen het met flair (en niet met een air, zoals voornoemde zakenmannetjes) en dat maakt het leuk om naar te kijken. Gouden knopen, gestreepte hemden met geruite stropdassen, rode sokken, je moet er van houden, maar ze staan er wel! En hoeden, strooien hoeden! Mannen met hoeden hebben sowieso al een aanzienlijk aantal bonuspunten gescoord, natuurlijk. Ze herinneren me aan de Sapeurs uit de Kongo. Sommigen dragen ook van die kleurige, gebatikte of geweven kostuums, een soort kaftan met bijpassende broek en fez. Opvallend vind ik trouwens wel dat in Nederland de mannen die je bij die bont bejurkte vrouwen zou verwachten vrij saai gekleed gaan. Jammer.

Mijn Air-France vlucht blijkt een Armavia vlucht te zijn. Armavia is min of meer de nationale luchtvaartmaatschappij van Armenie en je kan er rechtstreeks mee van Amsterdam naar Jerevan vliegen, maar natuurlijk weer niet op mijn beoogde reisdata. Krijg ik dus alsnog een kans aangeboden om te kijken hoe dat was.
Het toestel is een Airbus, dus ik hoef niet (heel erg) mijn leven te wagen door in een van duct-tape (hoeveel mensen realiseren zich nu pas dat het niet ‘Ducktape is?)en spanbanden aan elkaar hangende Toepolev uit 1972 te klimmen. Het enige kleine nadeel  zijn de stoelen. Die zijn vormgegeven in een nogal aggressieve kleur blauw (wat op zich nog geen problemen oplevert) en van nepleer, waardoor de reis een nog zweterigere en plakkerigere affaire wordt dan het sowieso al is.
Op het moment dat ik het toestel binnenstap, stap ik ook Armenie binnen. Niet alleen dat ik in het Armeens begroet word en de klassieke fout maak om in het Armeens terug te groeten waarna ik onmiddellijk hard door de mand val omdat ik geen woord begrijp van het verhaal dat de stewardess daarna tegen me afsteekt. De stewardessen zijn gekleed in vrij ouderwets ogende uniformen (met hoedjes!), wat me op zich nog wel kan bekoren, maar ze completeren het geheel met een stoicijns gezicht, een stalen blik die dwars door je heen gaat en een ijskoude glimlach, de Armenian Smile. Je komt toch een beetje thuis. Als je deze stewardessen in een kroeg oppikt, om maar eens een klassiek cliche aan te halen, word je volgens mij de volgende dag in een kelder wakker, hangend in ketenen en met een rode bal ik je mond.
Ook het eten is Armeens: rijst met kip, tomaten en komkommer en brood met geitenkaas en een soort salami. Het is overigens wel zo dat dingen die Armeens lijken vaak verrassend zijn. De zeer Armeens ogende jongen die aan de andere kant van het gangpad zit begint opeens hetzelfde onbegrijpelijke visa-aanvraagformulier in te vullen waar ik net mee bezig ben. Hij vraagt of ik hem met het formulier kan helpen en het blijkt een Duitser uit Frankfurt te zijn. Hij heet dan wel Juran Grygorian en gaat op bezoek bij zijn familie, maar toch.

 Om zeven uur lokale tijd stap ik in een roestige Lada die door de chauffeur manmoedig door het verkeer van Jerevan geloodsd wordt. Autorijden in Armenie is niet voor voor verlegen mensen en het is een feest van herkenning. In het huis van de Partevyan familie aangekomen wacht mijn eerste maaltijd op Armeense bodem op me, vergezeld van een fles wodka van dertig centimeter hoog met een pompje om het inschenken te vergemakkelijken. Vermoeidheid en een aanzienlijke hoeveelheid wodka maken het einde van de avond een beetje vaag.

Wetenschap op kinderschoenen

Check dit weblog: Life before the dinosaurs. Ik weet weinig van dingen die voor het Pleistoceen gebeurd zijn, dus ik kan er naast zitten, maar de auteur van dit weblog plaatst erg leuke en informatieve stukjes over ongewervelden uit de tijd voor de dinosaurussen. Leuk, zul je denken, maar de auteur is zeven jaar oud en dicteert de teksten aan zijn moeder die ze voor hem intikt! Hoe enorm cool is dat? Dit is niet het weblog van een zevenjarige snotneus die plaatjes van zijn favoriete beestjes laat zien, dit is het weblog van een zevenjarige ontluikende wetenschapper die serieus probeert om verantwoorde informatie over precambrische ongewervelden te presenteren. Briljant! Bezoek het blog en laat een reactie voor het kereltje achter. Nu!

Het Oog van de Halve Zijlstra is op ´ons´gevallen

De Halve Zijlstra is al een paar maanden met die zelfingenomen grijns welhaast permanent op zijn botte kop gepleisterd godje aan het spelen over de cultuursector. Met onfatsoenlijk plezier draait hij de ene na de andere instantie de nek om. Gelukkig weet hij niet zoveel van cultuur, zoals hij zelf vandaag in de Volkskrant stelde, dat maakt het wat makkelijker voor hem. Gelukkig maar, anders zou ik me nog zorgen over hem maken. Het kan hem geen ene donder schelen, hij wil alleen maar bij in het gevlei komen bij de mensen die hem dit suikerbaantje bezorgd hebben en hij is duidelijk bereid om daarbij zonder na te denken door roeien en ruiten te gaan.

Bij iemand die met zoveel elan en zoveel onverholen, geil revanchisme de ene ´linkse hobby´ na de andere aan het torpederen is (waar komt al die gal bij het huidige kabinet toch vandaan?), kun je er natuurlijk donder op zeggen dat het wegsaneren van theaters, muziekgezelschappen en opleidingen op het gebied van kunst niet genoeg is. De Halve Zijlstra wil meer! Waarschijnlijk heeft hij een keer per ongeluk het woord ´cultuurhistorie´ opgevangen (een beloning voor degene die me kan vertellen in welke Grisham-roman het woord voorkomt): ´Hmmm, een term waar het woord ´cultuur´ in voorkomt, daar moet iets mis mee zijn...´ Nadat hij heeft opgezocht wat dat nou precies is en men hem vertelde dat in Nederland ook ´aan cultuurhistorie gedaan wordt´ is hij ongetwijfeld kirrend van genot gaan zien of daar niet ook iets te saboteren valt.

Wel nu, zijn eerste slachtoffer heeft hij gevonden: Erfgoed Nederland. De Halve Zijlstra heeft deze organisatie te kennen gegeven dat zij in 2013 wordt opgedoekt, omdat wat zij doen voor de cultuursector voor hem te ver gaat. Alles wat meer inhoudt dan ´op de winkel´ passen is blijkbaar verspilling van geld dat beter aan andere dingen kan worden besteed. Het uitkleden van de verzorgingsstaat is tenslotte ook niet goedkoop.
Nou is ´op de winkel passen´ eigenlijk ook wat wij archeologen geacht worden te doen in het huidige bestel. Alleen als het niet anders gaat mogen wij bij de gratie Halve´s archeologisch onderzoek verrichten, maar het is natuurlijk een kwestie van tijd voordat hem door een van de corporate overlords van de VVD ingefluisterd wordt dat dat veel geld kost en slecht is voor de begroting. Er wordt in diverse provincies al door boerencorporaties gemorreld aan de monumentenwet en de Halve Zijlstra is precies de persoon die daarvoor wel te porren is.
Natuurlijk ben ik wat dat betreft bang voor mijn baan, maar ik ben ook bang dat het hele verdrag van Valetta door deze cultuurbarbaar aan de kant geschoven wordt en we qua archeologie teruggeworpen worden naar de situatie van voorheen, waarin alleen universiteiten, overheden en de Rijksdienst de mogelijkheid hadden tot het verrichten van archeologisch onderzoek, ware het niet dat die instanties door het achterlijke beleid van de laatste paar regeringen (ja, de partijen die daar deel van uitmaakten zijn net zo schuldig aan de huidige malaise, maar gelukkig had geen van hen een slachter van het type Halve Zijlstra in hun gelederen) intussen ook tot reuzen op lemen voeten geworden zijn. Daar is ook geen geld en capaciteit meer om die rol weer op zich te nemen, laat staan dat ze de werklast aan zouden kunnen.

Erfgoed Nederland is de eerste instantie in ´onze´ sector van het cultuurbereik die de bijl van de Halve Zijlstra in de nek voelt kriebelen, maar ga er maar van uit dat die met het eerste bloed niet tevreden is. Hoewel ik in het verleden nogal voorstander van actie (AKTIE!) ben geweest, denk ik niet dat onze staatssecretaris daar gevoelig voor is. Bidden zou helpen als goden zouden bestaan, maar die optie valt ook af. Je kan er natuurlijk op hopen dat het huidige kabinet geen lang leven beschoren is, wat vanwege het Permanent Verbolgen Volk en hun Grote Leider niet onwaarschijnlijk is, maar de vraag is wat dan daarvoor in de plaats komt.
Ik weet niet wat er moet gebeuren, maar het kan ongetwijfeld geen kwaad om toch zoveel mogelijk lawaai te maken over deze situatie, al is het maar om de mensen van Erfgoed Nederland te laten weten dat zij er niet alleen voor staan. Volg de link hierboven en stuur ze een e-mail. Misschien zit er ergens op het ministerie van -vul hier zelf een orwelliaanse naam in- waar de Halve Zijlstra zetelt (boven in een zwarte toren waarschijnlijk) iemand die gevoelig is voor deze geluiden.

Henk of Armenia I & II

Op 24 juni vertrek ik voor een derde en (voorlopig) laatste keer naar Armenië. Ik ben tot nog toe twee keer in het land geweest en alhoewel het een bij vlagen verbijsterende ervaring is geweest kan ik niet wachten om terug te gaan. De eerste keer dat ik er heen ging, in 2009, was dit op uitnodiging van mijn vriend Phil. Hij is aan het promoveren aan de universiteit van  Connecticut en als onderdeel van zijn verplichtingen neemt hij deel aan het onderzoek van zijn promotor Dan Adler) naar middenpaleolithische vindplaatsen, in samenwerking met de universiteit van Cork (Ron Pinhasi) en het Armeense Archeologische Instituut van de universiteit van Jerevan.

Armenië is een bizar land, waar eerste indrukken iemand op het verkeerde been zetten en zodra een en ander duidelijk lijkt te worden, komt alles weer op losse schroeven te staan. Het land ligt in Azië, maar is een vreemde mengeling van verschillende invloedssferen. In een land omringd door (deels vijandige) islamitische buren is het geen grote verrassing dat de inwoners een groot deel van hun identiteit ontlenen aan hun specifieke smaak van het christendom, de Armeens orthodoxe kerk. Het is moeilijk om de vinger precies te leggen op waar dat precies in zit, maar de invloed van deze islamitische landen, zeker het voormalige Perzië, maar ook in mindere mate Turkije, is echter overal merkbaar.
De relatie met Turkije is om redenen die ik niet uit hoef te leggen nogal gespannen, hoewel ik het idee heb dat beide landen er wel een beetje genoeg van beginnen te krijgen. Omdat internationale politiek zich afspeelt op het niveau van een zandbak, zal daar wel niet snel concreet verandering uit resulteren, maar de Armenen zelf zouden het volgens mij niet erg vinden als de situatie zou worden opgelost. Sterker nog, ik denk dat ze er allebei wel bij zouden varen. Als Turkije sorry zegt, mag het lid worden van de EU en grenst Armenië plotseling aan een EU land; volgens mij een win-win situatie (ook als vind ik dat een afschuwelijke uitdrukking).
De verhoudingen met Azerbeidzjan zijn veel gespannener. In de jaren negentig zijn beide landen met elkaar in oorlog geraakt over de Armeense enclave Karabach, die op het grondgebied van de Azeri´s lag. Dit gebied vormt tegenwoordig de facto een provincie van Armenië, maar de verhoudingen tussen beide landen zijn daardoor langdurig en ernstig verstoord. Formeel zijn beide landen ook nog in oorlog, wat resulteert in af en toe een schotenwisseling als de verveling te groot wordt, zodat weer een paar helden voor het vaderland ten grave gedragen kunnen worden. Opvallend genoeg is Iran de grote vriend en bondgenoot van Armenië sinds die oorlog. Dat Azerbeidzjan in het verleden ongeveer vier keer zo groot is geweest en het overgrote deel van dat verloren gebied in Iran ligt, zal ongetwijfeld meespelen in het streven van het Iranese bewind om de Azeri´s kort te houden. Een succesvolle oorlog met Armenië zou anders wel eens grootsere territoriale ambities in Bakoe kunnen doen ontkiemen. 

Met dank aan 80 jaar socialisme.
Naast deze meer subliminale invloeden, die je meer ervaart dan ziet, is daar natuurlijk de erfenis van tachtig jaar Sovjet overheersing die zichzelf manifesteert als een lelijke gebarsten korst op een oude schaafwond. Bij aankomst op de luchthaven van Jerevan (Zvartnots, waarschijnlijk de mooiste naam die ik ooit voor een vliegveld gehoord heb: Zvartnots!) word je onmiddellijk geconfronteerd met die deprimerende jaren-zeventig-lelijkheid die heel Oost-Europa en de voormalige USSR zo´n afgeleefde, vermoeide aanblik geeft. De eerste indruk van Jerevan is er één van lelijkheid. Het enige waarin de sovjetarchitectuur in Armenië afwijkt van zoals ik het in Duitsland en in Tsjechië heb gezien, is dat het beton van lokaal vulkanisch gesteente wordt gemaakt en daardoor van een soort roze, terracotta-achtige kleur is, hetgeen de aanblik marginaal minder deprimerend maakt.
De mooiere kant van het
architectuurspectrum van Armenië.
Toen ik er in 2009 was is er een aardbeving in Jerevan geweest, die volledig aan me voorbij is gegaan. ik was 80 kilometer verderop en wij hebben er niks van gemerkt. Suren (een van de Armeense archeologen) vertelde me op een conversatietoon dat het niet zo'n zware aardbeving was, maar vijf op de schaal van Richter: "Don't worry, buildings in Yerevan are made for seven!" Nu heb ik die gebouwen in Jerevan zelf gezien en ik heb er zo mijn twijfels over, maar een mens leeft in hoop, zullen we maar zeggen. De Armenen zijn in ieder geval vol vertrouwen.
Ik ben op een excursie mee geweest met de studenten (waarvan sommigen dusdanig bleu zijn dat ze bijna allemaal dachten dat we ergens in Zuidoost Europa waren en één van hen niet eens wist wat een blaar is), en de bergen hier in Armenië zijn echt ongelofelijk mooi. Voor toeristen heeft het land volgens mij op zich niet zoveel te bieden, maar als je van mooie landschappen houdt dan zit je hier gebeiteld. Ik ben geruime tijd aan het surveyen geweest om vindplaatsen op te sporen die mogelijk in aanmerking komen voor opgraving. Behalve dat dat erg leuk is om te doen, is het landschap echt super. Ik stond gisteren op een berghelling naar het oosten te kijken en het lijkt alsof je op een heldere dag Mongolië kan zien liggen. Je ziet hier de adelaars vliegen! We hebben een paar kloosters bezocht die in de Armeense zilveren eeuw zijn gebouwd, in de twaalfde eeuw, tussen twee episoden in van pogingen om alle Armenen uit te roeien. Waar ze de moed en energie vandaan halen om iedere keer weer opnieuw te beginnen…

Armenen komen in eerste instantie over als stugge afstandelijke mensen. De onverschillige, bijna afwerende houding wanneer je mensen aanspreekt is van het passende etiket ´Armenian Smile´ voorzien. Bij nadere kennismaking ontdooien ze echter helemaal en zijn het zeer vriendelijke en gastvrije mensen met een zeer anarchistisch gevoel voor humor. 
Ondergetekende oefent zijn
´Armenian Smile.´
De Chainsmoke Express (zie hieronder) zit vol met compleet getikte Armenen. Na afloop van het veldwerk wordt gestopt bij een winkel om bier en wodka te kopen en dan zitten ze de hele terugweg te tanken (behalve de chauffeur, daar zijn ze dan wel weer verbazingwekkend gewetensvol in). Op een regenachtige dag in 2009 reed de auto ergens van de snelweg af omdat de Armenen iets wilden laten zien. Het bleek een in de rotsen uitgehakte graftombe uit de Bronstijd te zijn, waar we inklommen. Tien minuten later komt Suren, de chauffeur, binnen met nog meer bier en wodka, en hebben we een klein feestje gevierd in een bronstijdgraftombe. Briljant! De Erfgoedinspectie zou ongetwijfeld in hun eigen gal stikken bij zoveel onverlaat.
 
Bronstijdfeestje met de leden van
de Chainsmoke Express.
 Boris, de (niet aanstellerige) plaatselijke archeoloog en partner in het project is een superaardige kerel. Wel met een Afghaanse kogel uit 1984 in zijn been, dus als hij moe wordt loopt hij wat minder soepel, maar je kan wel met hem lachen. Een koele kerel, maar als je hem kwaad maakt, kan hij volgens mij zonder met zijn ogen te knipperen je arm eruit draaien voordat je het in de gaten hebt. Heb je een nieuwe koelkast nodig, dan vraag je Boris en dan komen mensen een nieuwe (nou ja, andere) koelkast brengen. Op een aantal van de artefacten uit de opgraving zit een kalkachtige concreties die wordt verwijderd door ze enige tijd in een oplossing met zoutzuur te leggen. Toen het zoutzuur op was heeft het hele team dat daar mee bezig was een hele dag met tranende ogen en pijnlijke luchtwegen geprobeerd om met het vervangende ´zoutzuur´ dat Boris geregeld had te werken. Dat wordt dan ook in een glazen fles zonder etiket afgeleverd. Geen mens weet wat het werkelijk is, maar het vrat de bakjes op waar het in gegoten werd.
Boris heeft ook een obsidiaan afslag in zijn schedel zitten, heb ik vernomen. Klein ongelukje tijdens een bewerkingsexperiment, maar waarom hij het ding niet heeft laten verwijderen is mij een raadsel. Zijn vrouw zal het wel sexy vinden.
  
Een Armeense archeoloog (links)
met een kogel in zijn been en een
afslag in zijn hoofd.

Het Armeense modegevoel is, om het zacht uit te drukken, nogal afwijkend van wat mijn verfijnde smaak gewend is. De vrouwen zijn nogal gecharmeerd van een soort sletterige Russische stijl (niet lekker sletterig, gewoon goedkoop sletterig). De mannen lopen er ofwel bij alsof ze hun kleren gekocht hebben op een beurs voor Oostblokmemorabilia, of ze hebben een soort schreeuwerige kleding aan waar zelfs David Beckham voor zou bedanken.
Dat werd pijnlijk relevant toen na aankomst in 2009 natuurlijk mijn bagage verdwenen was en pas vijf dagen later afgeleverd werd (merci beaucoup, Air France!). Ik heb een paar dagen gedoucht met een soort zeep die naar banaan ruikt, en waarvoor je een strigilis nodig hebt om het er weer af te krijgen, waarna je je eigenlijk net zo ranzig voelde als vóór de douche. In Armenië is het in juni overdag rond de 35 graden, dus enige mogelijkheid tot verschoning is wel noodzakelijk. Nadat ik een aantal dagen in steeds onsmakelijker wordende kleren en geleende onderbroeken heb rondgelopen, ben ik in arren moede (mooie uitdrukking toch) maar wat kleren gaan kopen, wat hier dus niet zo makkelijk is.
Uiteindelijk toch nog een hemd en een broek gevonden en toen eindelijk mijn rugzak met mijn eigen shampoo, mijn eigen handdoek en mijn eigen kleren bezorgd werd heb ik volgens mij de lekkerste douche van mijn leven gehad.

De inrichting van de huizen doet me erg aan de keuken van mijn oma denken toen ik nog een dreumes was en de grote hoeveelheid Lada's op straat doet ook nogal rustiek aan. De jaren zeventig zijn helemaal niet voorbij, ze zijn gewoon naar het oosten verhuisd! Dit is het thuisland voor Mambo Kurt, der Orgelgott.
In Armenië is roken nog gewoon ouderwets acceptabel. Mensen roken hier allemaal en overal: ik de auto, in de bus, thuis, op straat, binnen, buiten, in de rij bij de kassa, achter de kassa, volgens mij in bed nog. Phil, die er als Amerikaan aan gewend is dat hij nergens meer mag roken, schept er derhalve een diabolisch genoegen in om op zoveel mogelijk plaatsen te staan kachelen als een mijnwerker. Iedereen rookt hier dan ook nog van die sigaretten die gevuld zijn met versneden linoleum.
Chorovats, de Armeense variant van
een barbecue en een bijzonder
serieuze aangelegenheid.
Het eten is trouwens wel waanzinnig lekker. Armenen houden van veel vlees, maar ze nemen ook hun groenten zeer serieus. Ik heb hier de lekkerste tomaten en komkommer van mijn leven gegeten. Omdat die bij iedere maaltijd op tafel gezet worden krijg je er ook wel weer een beetje genoeg van, maar ze zijn ze erg lekker. Het bier is naatje (alhoewel niet zo erg als Heineken en Amstel), maar de lokale cognac is echt superlekker.
Het water uit de kraan moet je eigenlijk alleen maar drinken als je er een kick van krijgt om de eerstvolgende drie dagen met je broek op je enkels en een emmer op schoot op de WC door te brengen, maar de Armenen zijn hiervoor immuun. Het opgravingsteam heeft de hierboven beschreven toestand als Zombiedisease betiteld, dus daarmee is alles wel gezegd. Omdat dit water wel gebruikt wordt bij het koken en het wassen van groente is het voor nagenoeg 100 procent gegarandeerd dat je er last van krijgt, dus bij iedere rommel in je maag denk je dat het loos gaat. Vroeger of later ben je onvermijdelijk aan de beurt.
Het dagelijks leven in Jerevan kent een geheel eigen dynamiek. Iedere politieagent loopt erbij (en gedraagt zich) als een Sovjetadmiraal en iedereen rijdt als een waanzinnige. Op een driebaansweg passen makkelijk vijf rijen auto´s en hetzelfde geldt voor het verkeer uit de andere richting. Autogordels zijn voor mietjes (en aangezien homoseksualiteit in Armenië officieel niet bestaat, hebben de meeste auto's dus ook gewoon geen gordels). Om hier achter het stuur van een auto te kruipen moet je of enorm veel lef hebben ofwel een serieuze doodswens koesteren. En als je niet in een door een waanzinnige bestuurde taxi je testament aan het opmaken bent, blijft er nog genoeg over om je te verbazen.
Je loopt een beetje rustig over straat, op zoek naar een terrasje (in Jerevan heb je heel veel openluchtcafés, niet meer dan een terras en een barretje onder een paar parasols) en dan valt je op dat een overdreven gespierde Rus in veel te strak David-Beckham-tenue ostentatief bij de ingang van zo´n openluchtcafé indrukwekkend staat te zijn. In het langslopen zie je dan dat deze kerel een pistool achter zijn broekband gestoken heeft en daar verder niet verlegen over doet. Waarschijnlijk de lijfwacht van een of andere maffioso. Toch maar twee terrasjes verder een plekje gezocht.
Phil en ik met een oude bekende
(monsieur Cro Magnon!) in Stojka, 
wat later op de avond.

Ik probeerde met Phil en twee van de Armenen in Jerevan een bar binnen te gaan met de naam Stojka. Aan de deur werden we tegengehouden en geweigerd omdat het een 'members only' etablissement zou zijn. De zondag erna nog een poging gedaan en toen konden we gewoon binnenlopen en werden we hartelijk ontvangen door de barman. Deze overigens zeer aardige kerel legde ons bij navraag uit dat het vrijdags blijkbaar nogal druk was geweest en we daarom niet binnenmochten, maar nu we binnen waren, was dat probleem voorbij. De barman legde uit dat hij aan gezichtscontrole deed en nu hij ons kende, toegang voor ons (en eventueel mee te nemen vriendjes) verzekerd was. Met onmiddellijke ingang waren Phil en ik lid.

Ararat, gecontrasteerd met een mooi
voorbeeld van contemporaine
Armeense bouwkunst.
 Ik denk niet dat je iets over Armenië en de Armenen kan schrijven zonder stil te staan bij de berg Ararat. Het is voor de Armenen gewoon een heilige berg. Zij beschouwen zichzelf als afstammelingen van Noach die met zijn ark op de berg geland is en Ararat is voor de Armenen het symbool van hun land, hun identiteit en hun cultuur. Je kan geen huis binnenlopen zonder afbeeldingen van de berg te vinden en op de rommelmarkt in Jerevan kun je echt alles kopen met de berg er op afgebeeld. Alleen jammer dat hij in Turkije ligt. Ik heb laatst een heel mooi boek over Armenië gelezen (´The crossing place : a journey among the Armenians´) van Phillip Marsden, een Britse reisjournalist die breed uitweidt over de Armeense veerkracht en weemoed, waarin Ararat, zelfs voor diasporadische Armenen die nog nooit in het land geweest zijn, een centrale plaats inneemt. Een punt dat hij aanhaalt en wat ik bij mezelf inderdaad herkende, is dat je sterk de neiging krijgt om overal waar je bent in Armenië te kijken of je Ararat niet kan zien liggen. Je krijgt inderdaad overal de neiging om je naar het zuiden te wenden om te zien if je een glimp van de berg kan opvangen met een gevoel van opluchting en herkenning als je de typische vorm van de twee toppen door de wolken heen ziet piepen.
Het archeologisch onderzoek kende de op zich te verwachten opstartproblemen omdat een van de Armeense archeologen zich gepasseerd voelde en zich dus als een klein kind ging gedragen, waar twee dagen over onderhandeld moest worden om weer een lach op zijn verongelijkte smoeltje te toveren. Er zal wel wat geld van eigenaar gewisseld zijn. Dan het veld in om vindplaatsen op te sporen. Twee keer een uur rijden in een terreinwagen (in dit land geen overbodige luxe), met vijf kettingrokende Armenen en mijn vriend eveneens kettingrokende vriend Phil, lachen man.
 
De Chainsmoke Express op de Aparam
hoogvlakte met op de voorgrond een
proefputje.
Vindplaatsen opsporen betekent in Armenië dat je gewoon als cowboys in die terreinwagen (intussen de Chainsmoke Express gedoopt) door het landschap scheurt (nou ja, hobbelt, gezien de staat van de wegen en het landschap) en als je zin hebt een proefputje graaft om te kijken wat er aan de hand is. Geen regels, geen vergunningen, gewoon vindplaatsen zoeken. Kuil, fotootje, tekening, GPS-meting, wegwezen. Totale anarchie. Geweldig!

De archeologie hier is werkelijk om gek van te worden. Op mijn favoriete oppervlaktevindplaats bij Sint Geertruid zie je miljoenen neolithische artefacten liggen, en af en toe een Paleoliet. Dat is hier precies andersom. Er zijn hier plaatsen, daar loop je gewoon letterlijk op een tapijt van Moustérien artefacten, allemaal van obsidiaan.
  
Een paleolithisch archeoloog beleeft
op een belachelijke vindplaats
gevoelens die de vergenoegingen van
het Nirvana angstwekkend dicht
benaderen.
Na een week in het stadium verkeerd te hebben waarin iedere scheet in een onsmakelijk drama kan eindigen, hebben we de aller- aller- allermooiste oppervlakte site ooit gevonden! Volgens mij liggen op deze locatie meer Moustérien artefacten dan in heel Nederland bij elkaar. En niet alleen afslagen, maar werktuigen, afslagen, kernen, klopstenen, de hele catalogus van François Bordes knispert, splintert en krakelt hier onder de zolen van je werkschoenen. Jammer dat ik niets mee mag nemen. Ik zou zo bij vertrek al mijn kleren weggooien en twintig kilo Midden Paleolithicum mee naar Nederland nemen. Ik moest even gaan liggen, met de prettige wetenschap dat iedere punt die in mijn vlezige ruggetje (om nog maar te zwijgen over mijn billen, oh mama) priemde, een punt aan een Moustérien artefact was.
We hebben er een proefputje gegraven en er zijn intacte bodemhorizonten in meerdere fasen in de ondergrond aanwezig. De bovenste twintig centimeter van het profiel bestaan uit artefacten met een beetje grond ertussen. Volkomen belachelijk, het zou niet moeten mogen.
 
Het graven van een proefputje op een
belachelijke vindplaats.
In een supermooie kleine grot hebben we proefputjes gegraven, maar het aantal bulten op mijn hoofd is nog een reden waarom ik meer van openluchtvindplaatsen houd. Wil je een keer graag een helm dragen, is er in geen velden of wegen een te bekennen. Voor de Armenen bevindt een helm zich op hetzelfde niveau als autogordels. Ik vermoed dat er in heel Armenië geen helm te krijgen is.
Tijdens het opgraven in de grot probeerde een slang (daarvan zijn er nogal veel) de grot binnen te komen, hetgeen een wat ongemakkelijke standoff tussen vier archeologen en een slang opleverde. Niemand wist zeker of het beest giftig was, ook de Armenen niet (dan weet je ook gelijk weer hoeveel je op de kennis van de lokale bevolking kan rekenen), maar het leek mij een veilig idee om ervan uit te gaan dat dit wel het geval was.

Het effect van een belachelijke vindplaats
op een paleolithisch archeoloog.
 Je wil zo'n dier om begrijpelijke redenen graag kwijtraken, maar we wilden het niet onnodig pijn doen of doodmaken. Aangezien het beest van geen wijken wilde weten en nogal opdringerig probeerde de grot binnen te gaan, was het doorhakken van knopen nogal van belang. Er was wat onzekerheid over de te volgen koers, omdat je een slang ook niet onnodig kwaad wil maken, en uiteindelijk kwamen we tot de beste oplossing: met stenen bekogelen. Na enige tijd gaf het serpent op, en verdween tussen de stenen.
Wie overigens denkt dat de slangen een probleem zijn, heeft de schorpioenen nog niet gezien ("Don't worry, they almost never kill anyone!"). Nu wil ik geen slappeling zijn; slangen, schorpioenen, daar kan ik wel mee omgaan, maar ze hebben hier in de bergen ook mieren zo groot als een kleine hond. Als die bijten, nemen ze volgens mij je been vanaf het knie mee.


Na een paar weken begint de vermoeidheid (en de diarree) chronische vormen aan te nemen en begin je heel erg naar een boterham met kaas te verlangen. Desalniettemin is het veel te leuk om echt heimwee te hebben. Ik kan daarom niet wachten tot ik over twee weken weer in het vliegtuig zit, voor Henk of Armenia III.

EHEC! Gezondheid.

De EHEC bacterie is op strooptocht in Noordwest Europa. Duizenden mensen zijn in meer of mindere mate ernstig ziek en een enkeling overleeft de besmetting met deze aan E. coli verwante ziekmaker helaas niet. De bron van de besmetting ligt (waarschijnlijk) ergens in Noord-Duitsland, de bacterie wordt verspreid via (mogelijk) komkommers, (misschien) tomaten of anders toch (eventueel) andere groenten. Nu is een restaurant in Lübeck aangewezen als mogelijke haard van besmetting, maar de eigenaar van het restaurant kaatst de bal door naar de groothandel in Hamburg waar hij zijn waar van betrekt (overigens liggen beide plaatsen wel in Noord-Duitsland, dat scheelt alweer). De paniek is dus weer eens compleet en ik ben verbaasd dat de kranten en actualiteitenprogramma´s nog niet over een nieuwe ´pandemie´ aan het blaten zijn.

Wat me eigenlijk nog meer verbaast is dat onze natuurvrienden nog niet schuimbekkend prime time en de voorpagina´s hebben opgezocht om moord en brand te schreeuwen over dat het onze eigen schuld is en dat we nu (weer) eens de rekening gepresenteerd krijgen voor hoe we met onze planeet omgaan. Bij de SARS-´pandemie´, de mond en klauwzeer-´pandemie´ en de Mexicaanse griep-´pandemie´ stonden ze in rijen te wachten om geïnterviewd te worden: de Partij voor de Dieren en andere zogenaamde activisten die met nauw verholen triomfalisme en met van die uitgestreken ik-zei-het-toch-smoelen voor eigen gewin met hun vingertjes wapperden over het lijden en sterven van mensen en dieren over de hele wereld.
Blijkbaar vinden deze organisaties het niet zo erg als je op barbaarse wijze met komkommers en tomaten omgaat, ondanks dat dat blijkbaar voor grote problemen voor milieu, mens en dier kan zorgen. Maar ja, bloedende baby-zeehondjes en varkens die met bulldozers in een vernietigingsoven geschoven worden scoren op TV, geplette komkommers en overrijpe tomaten toch een stuk minder.
Misschien worden ze binnenkort wakker. Ik las dat onderzoekers nu vermoeden dat er een kans is dat niet kan worden uitgesloten dat er rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat de bron van de EHEC epidemie (misschien) toch in besmet vlees gezocht moet worden, zeker gezien het feit dat E. coli besmetting vrijwel uitsluitend via vlees plaatsvindt. Dat zou natuurlijk fijn voor onze natuurvrienden zijn, want dan kunnen ze weer op hun vertrouwde stokpaardjes klimmen om hun vaste verhaaltje af te draaien[1].





[1] Voor de volledigheid en om gedoe te voorkomen: ik ben het volkomen met onze natuurvrienden eens dat de bio-industrie heel erg ver over zijn uiterste houdbaarheidsdatum heen is en dat ´de mens´ zijn verantwoordelijkheid moet nemen om op een goede manier met wat nog over is van de aarde om te gaan. Ik maak echter ernstig bezwaar tegen hun doorgaans zeer eendimensionale kijk op wat goed en slecht is en tegen het hier wat mij betreft op navrante wijze aangetoonde feit dat hun verontwaardiging buitengewoon selectief is. Misschien is het eerlijker om te zeggen dat hun verontwaardiging gebaseerd is op eenzijdige, subjectieve en vaak onwetenschappelijke informatie en daardoor onvermijdelijk en hopeloos gekleurd.

Een hond is een hond is een hond

Enige tijd geleden heb ik op internet een documentaire gezien over toe topfokkers met hun honden omgaan en daardoor ook hoe ze over die dieren denken. Wie de documentaire wil zien kan de link volgen, maar wees gewaarschuwd, er zijn beelden te zien waar een mens niet vrolijk van wordt.

Wie van plan is om een rashond te kopen krijgt links en rechts op het hart gedrukt dat ze toch vooral goed moeten opletten dat de fokker erkend is, dat de honden goed behandeld worden enzovoort, enzovoort. Roebroeks (hond) is een rashond, een Parson Russell terriër met een stamboom zo lang als een arm en hij komt uit een nest bij mensen waar mijn lief en ik allebei nog steeds een goed gevoel over hebben. De ellende is echter dat je bij veel hondenrassen de echte problemen niet kan zien! Het is niet genoeg om te kijken hoe de fokkers met hun honden omgaan (dat zal bij de meeste wel goed zijn), je moet er achter zien te komen hoe ze met het hondenras omgaan.
Het onderwerp van de documentaire is hoe ´topfokkers´ door moedwillige inteelt bezig zijn met het verpesten van hun honden ter perfectionering van een vormideaal waar die arme beesten de prijs voor betalen.

De oudste directe archeologische aanwijzingen voor gedomesticeerde honden dateren van ongeveer 14.000 jaar geleden, terwijl DNA analyse suggereert dat het genus Canis zich misschien al tussen 50.000 en 100.000 jaar geleden gesplitst heeft, maar de domesticatie van de wolf/hond is een tamelijk ingewikkeld, maar buitengewoon interessant verhaal dat niet in een simpel jaartal te vangen is. Sterker nog, aangezien wolven en honden nog steeds in staat zijn om vruchtbare nakomelingen voort te brengen, zijn er biologen die niet geheel onterecht aanvoeren dat het überhaupt niet correct is om van twee verschillende soorten te spreken.
De nauwe band tussen mens en hond is hoe dan ook buitengewoon oud, ouder dan enig ander dier ter wereld. Domesticatie en de daarmee gepaard gaande veranderingen in gedrag en uiterlijk van de dieren, zal in eerste instantie onbewust hebben plaatsgevonden, maar op een gegeven moment komt de mens er achter dat hij dat proces kan sturen. Vanaf dat moment gaan mensen proberen om bepaalde eigenschappen van de hond te stimuleren en andere te onderdrukken. Dat zal in eerste instantie vooral met bescherming en jacht te maken hebben, maar met de introductie van landbouw en veelteelt diversifieert dit proces zich en ontstaat een breed scala van verschillende hondentypen, resulterend in de meer dan tweehonderd (erkende) hondenrassen van nu.

Roebroeks (hond); ongeveer zo groot
als een vos, maar zonder roestbruine
vacht en dito pluimstaart
(foto: N. Grootjes).
In de bovenstaande paragraaf wordt echter een zeer belangrijk principe verwoord: met selecteerde op eigenschappen, niet op vorm. Dat selectie op eigenschappen ook gevolgen heeft voor het uiterlijk van de honden was in sommige gevallen misschien handig (wie met een hond ter grootte van een vos op vossen wil jagen doet er verstandig aan om er voor te zorgen dat dit beestje niet roestbruin is en een pluimstaart heeft). Men selecteerde twee honden die de gewenste eigenschappen het beste vertegenwoordigden en die werden dan bij elkaar gezet om voor nakomelingen te zorgen.
Midden 19e eeuw is het mis gegaan, heel erg mis. Doordat de welvaart toenam ontstond er een vermogende middenstand met meer vrije tijd dan ooit te voren en het hebben en fokken van honden werd een enorm populaire hobby. Het grote verschil met hondenfokkers van weleer was echter dat deze mensen geobsedeerd raakten door het uiterlijk van de honden en niet door de eigenschappen. In de loop der tijd werd voor elk ras een ´rasstandaard´ vastgesteld. Opvallend aan die rasstandaarden is dat deze overwegend gericht zijn op het verkrijgen van een ideale vorm, waarbij het effect op de honden van ondergeschikt belang is. Zelfs werkhonden (jacht-, speur-, waak- en herdershonden en dergelijke), waarbij je zou denken dat goede eigenschappen toch nog steeds zwaarder zouden wegen dan een leuk voorkomen, zijn in veel gevallen niet aan deze cosmetische terreur ontsnapt.

Het resultaat is in veel gevallen afschuwelijk en dan heb ik het niet (alleen) over het uiterlijk van de vele bizarre rassen die ontstaan zijn waarvan het bijna onvoorstelbaar is dat de ertoe behorende exemplaren afstammen van een wolf.
Om de gewenste vorm voor hun honden te krijgen deinzen fokkers nergens voor terug. Bij het fokken van dieren, óók als het op basis van eigenschappen gebeurt, ligt het gevaar van inteelt altijd op de loer. De reden dat bloedlijnen bij fokdieren zo goed worden bijgehouden is dan ook oorspronkelijk bedoeld om dit te voorkomen. Sommige fokkers maken nu echter gebruik van deze informatie om met opzettelijke veronachtzaming van de gevolgen inteelt te veroorzaken. Dit heeft al veel hondenrassen onherstelbaar beschadigd, maar voor de individuele honden leidt dit tot peilloos lijden, pijn en een vroegtijdige, afschuwelijke dood als ze niet uit hun lijden verlost worden.
De lijst van problemen is eindeloos, van kanker en epilepsie bij boxers tot vergroeiingen van de schedels bij bulldogs, bull terriërs, mopshonden enzovoort. Deze beesten kunnen niet meer fatsoenlijk ademhalen en hun ogen puilen zover uit hun hoofd dat ze letterlijk met hun oogballen tegen deurposten aanlopen. Na DNA onderzoek aan de circa 10.000 mopshonden in Groot Brittannië bleken die al zo ver ingeteeld dat er genetisch eigenlijk maar sprake was van vijftig aparte individuen.
Daarnaast zijn ze vaak lichamelijk niet meer in staat om hun pups zelf ter wereld te brengen en moeten deze met een keizersnede worden gehaald. Duitse herdershonden hebben intussen dusdanig vervormde achterpoten dat ze door het gemiddelde schaap zouden worden uitgelachen omdat hun baasjes vinden dat een hond er zo uit hoort te zien en er zijn teckels wier poten intussen zo kort zijn geworden dat ze niet meer normaal kunnen lopen.
Het meelijwekkendste wat ik in de documentaire heb gezien (maar helaas bij lange na niet het ergste gevolg van deze maniakale hang naar uiterlijke perfectie) was wel het trieste lot van de cavalier King Charles spaniël. Ik vind het maar onnozele hondjes, maar daar kunnen die beesten niets aan doen en er zijn zat mensen die er helemaal weg van zijn. Onnozele hondjes of niet, als gevolg van selectieve inteelt zijn ze nu opgezadeld met een in het ras al wijd verbreide aandoening met de naam syringomyelie, wat eigenlijk gewoon betekent dat hun hersenen te groot zijn voor hun schedels, waardoor deze via de opening in de schedel in het ruggenmerg geperst worden. Deze aandoening is ook bij mensen bekend en wordt door patiënten zelf omschreven als een afschuwelijke, pijnlijke ervaring. Wie de beelden gezien heeft van dat hondje dat spastisch en gillend op zijn rug lag te kronkelen van de pijn lag hoeft daaraan niet te twijfelen. Deze aandoening is afschuwelijk, ongeneeslijk, erfelijk en wordt volledig genegeerd door fokkers van die beestjes in hun jacht op de ´perfecte´ cavalier King Charles spaniël. 

Een Rhodesian Ridgeback met
´pronk´ en dus een verhoogde kans
op ernstige afwijkingen aan de
ruggenwervel (foto).
En de fokkers blijven met een stalen gezicht volhouden dat er niets aan de hand is. Eén van die schoften, nog wel de voorzitter van de Kennel Club, de Britse organisatie die dit allemaal overziet, gaf toe dat er in ´zijn´ ras enkele genetische problemen voorkwamen, maar hield met een stalen gezicht vol dat hij, door teefjes te laten paren met hun eigen (klein)kinderen, van deze problemen ´weg probeerde te fokken!´ Rhodesian ridgebacks hebben op hun rug een soort hanenkammetje, de ´rigde´ of ´pronk´ waar ze hun naam aan te danken hebben. Deze richel is in feite een aanwijzing voor vergrootte vatbaarheid voor een aan spinida bifida gerelateerde aandoening waardoor de honden serieuze problemen aan hun wervelkolom kunnen krijgen. Ongeveer één op de twintig pups heeft deze afwijking, en dus die richel, niet. Deze honden zijn daarom in tegenstelling tot hun ´perfecte´ soortgenoten gezond. Maar omdat ze niet voldoen aan het plaatje, worden deze pups dus door de fokkers afgemaakt! Een fokster vertelt in de documentaire buitengewoon verontwaardigd dat ze de grootste moeite heeft om een dierenarts te vinden die deze gezonde hondjes voor haar wil afmaken.
Het meest tragische is nog wel dat deze wrede, domme, ijdele mensen uiteindelijk hun geliefde ras naar de verdoemenis aan het helpen zijn. De inteelt is in veel rassen al zo ver gevorderd dat het een kwestie van tijd is voordat de honden onvruchtbaar worden en het einde verhaal is. Helaas ligt, voordat het zo ver is, voor de betrokken honden ´a universe of suffering´ in het verschiet in de woorden van één van de dierenartsen die in de documentaire worden geïnterviewd.

Ik ben twee jaar geleden een dag naar de Winner Show geweest, de grootste hondenshow van Nederland. De reden van mijn aanwezigheid doet niet ter zake (ik was er niet om mijn hond te ´showen´), maar ik ben een aantal malen rondgelopen door de hallen van de RAI en ik was zeer verward over wat ik daar allemaal zag. Ik ben een hondenliefhebber, dat wil zeggen dat ik er plezier in heb om met mijn hond ´hondendingen´ te doen, dat ik het fijn vind om hem in mijn gezelschap te hebben en dat ik graag naar hem en andere honden mag kijken terwijl zij doen wat honden nou eenmaal doen. Ik ben er ook van overtuigd dat de lange cohabitatie van honden en mensen er voor heeft gezorgd dat dit bij honden in de regel wederkerig is (of mijn hond het leuk vindt om mij te trainen weet ik niet, ik doel meer op de genegenheid en het plezier in elkaars gezelschap).
 
Hoe vaak zou deze sloeber door het
bos mogen rennen (foto)?
Wat die mensen daar op die show aan het doen waren plaatst het wat mij betreft duidelijk buiten de categorie van hondenliefhebber. Dat is natuurlijk een generalisatie die sommige deelnemers te kort doet, maar als je naar die arme honden keek die daar de hele dag stil moeten zitten omdat anders hun haar in de war raakte, poedels die met gelakte nagels rochelend probeerden om niet te stikken in de wolk van haarlak waarin ze zaten, dat zijn geen hondendingen. Die mensen die iets dergelijks als hobby hebben kunnen beter een Barbie pop kopen en die optutten en aankleden.
Mijn lief merkte op dat je er toch van uit mag gaan dat mensen die honden (of andere huisdieren) fokken of bezitten dat doen omdat ze om deze dieren geven. Dat idee had ik ook, maar de gruwelijke waarheid is dat sommige van deze mensen geen ruk om die honden geven. Ze zijn gepassioneerd over de vorm van de dieren, maar geven geen steek om de hond zelf. Overigens hoeft natuurlijk niemand zich een illusie te maken; ´hond´ kan overal in dit stuk moeiteloos vervangen worden door ´kat,´ ´kanarie,´ ´postduif,´ ´konijn´ en nog tientallen andere huisdiersoorten waar precies hetzelfde mee gebeurt. Ik ben als hondenliefhebber en –bezitter misschien niet helemaal objectief, maar wie zo iets met dieren doet en dan met droge ogen durft te beweren dat hij om zijn dieren geeft verdient een pak slaag.

Is Roebroeks (hond) dan ook zo´n wandelend wrak? Is de Parson Russell terriër ook een genetische tijdbom (of misschien eerder een soort genetische Sovjet Unie; het lijkt een hele tijd nog wat, maar uiteindelijk implodeert het onder zijn eigen rotheid)? Zijn de eigenaars van de moeder van Roebroeks (hond) dan ook dergelijke wreedaards? Kan/moet je überhaupt nog wel een rashond kopen?
  
De Parson Russell Terriër is voor zover ik dat kan inschatten tot nog toe redelijk gespaard gebleven van de ergste inteelt, wat volgens mij deels komt doordat ze over het algemeen nog veel gebruikt worden voor de jacht, waarbij de eigenschappen belangrijker zijn dan het uiterlijk. Roebroeks (hond) en het ras in het algemeen zijn redelijk vrij van erfelijke aandoeningen. Er zijn er wel twee, maar die zijn vrij zeldzaam en (in ieder geval in Nederland volgens mij) geen aanleiding om de beestjes dood te maken. Er mag alleen niet meer mee gefokt worden. Dat meent niet weg dat alles koek en ei is in Parson Russell Terriër land. Ik ben geen geneticus en ook geen dierenarts, maar volgens mij staan ook deze honden onder druk. Het is in Nederland een vrij zeldzaam ras en dan ligt het gevaar van inteelt natuurlijk al snel en onvermijdelijk op de loer.
De mensen waar Roebroeks vandaag komt verdienen het niet om over één kam geschoren te worden met de verknipte amateur-Frankensteins hierboven. Zij zijn geen broodfokkers en wilden gewoon een keer een nestje pups met hun hond. Ik ben een paar keer bij hun thuis geweest en zij ook bij ons om te kijken hoe het met Roebroeks (hond) ging en ik zou me schamen als zij dachten dat ik hun daarmee gelijkstel.
 
´Ze knorren zo leuk.' Dat hun tong
niet meer in hun mond past, is dan
jammer (foto).
De kapitale vraag is echter of je überhaupt wel een rashond moet kopen? Dat vind ik een lastige om te beantwoorden en hij beslaat twee kanten van de zaak: wil je een ellendig, verminkt, fysiek wrak als huisdier (zie onder andere de mopshond) en wil je het systeem waar deze het resultaat van zijn in stand houden door ze aan te schaffen?
Al ben je helemaal verliefd op hoe schatting, gespierd, indrukwekkend of angstaanjagend een bepaald hondenras is, moeten die arme beesten daar dan de prijs voor betalen met, misvormde skeletten, epilepsieaanvallen, endemische kanker en fysiek ondermogen tot ademhalen, rennen, springen of baren? ´Ze knorren zo schattig´ heb ik zo´n trainingspak hier in Leiden eens horen zeggen over haar mopshonden terwijl die beesten wanhopig bezig waren met het binnenkrijgen van genoeg zuurstof. Kies dan een ras dat (nog) gezond in elkaar zit of ga naar het asiel voor een leuk bastaardhondje, die zijn doorgaans een stuk gezonder.
Niet alleen getuigt een dergelijke opmerking als hierboven van weinig invoelingsvermogen in de hond zelf, door deze beesten aan te schaffen draag je natuurlijk bij aan de instandhouding van het systeem (waarin ik natuurlijk net zo  schuldig ben als de in glimmend polyester en lycra gehulde kettingrookster met haar twee mopshondjes). De vraag bij dit soort kwesties is natuurlijk of het helpt. De apartheid in Zuid-Afrika is ook niet op de knieën gedwongen omdat mensen in Nederland geen Outspan sinaasappelen meer kochten. Je kan ongetwijfeld ´de burger´ misschien nog wel overtuigen van het feit dat je de zieke, zwakke resultaten van de rashondenmanie niet moet kopen, maar dat zal de harde kern van doe-het-zelf-genetici die er persoonlijk belang bij hebben niet tegenhouden. Wie twijfelt aan hoe groot die belangen zijn en hoe weinig ze met de honden zelf te maken hoeft alleen maar naar een hondenshow te gaan om zich te verbazen over de triomfantelijke, gretige, geile, afstotelijke opwinding op de gezichten van sommige van de deelnemers als ze te horen krijgen dat ´zij´ gewonnen hebben en met trillende onderlip ´hun´ trofee in ontvangst komen nemen. Dat hun reu of teefje door overwinning zoveel als fokdier weer meer waard is geworden speelt daarbij ongetwijfeld in het geheel geen rol.

Ik kan de vraag over of je wel of geen rashond moet kopen niet met goed fatsoen beantwoorden. Ten eerste heb ik mij er al schuldig aan gemaakt en ten tweede kan ik niet uitsluiten dat ik er misschien ooit een tweede hond bij wil en dat ook dat een Parson Russell Terriër zal worden. Aan de andere kant vergaat de lust je wel als je naar de hier becommentarieerde documentaire kijkt. Wat je zeker moet doen is je heel goed informeren over de hond die je wil, maar het is evident dat dat niet altijd voldoende is en soms word je door fokkers opzettelijk verkeerd geïnformeerd.

Zoek de 10 verschillen (foto wolf  bulldog).
Wat volgens mij een goede vuistregel is als je een hondenras aan het ´uitzoeken bent´ (wat ik trouwens zelf een hele vreemde ervaring vond, net als het kiezen van de hond uit het nestje van broers en zussen) is dat je een foto of tekening van een wolf vergelijkt met een foto of tekening van het ras in kwestie. Een hond is nog steeds 98% wolf met 2% hond er doorheen gemixt. Het is vrij kort door de bocht, maar dat zijn vuistregels altijd: hoe meer de lichaamsverhoudingen van de hond overeenkomen met de lichaamsverhoudingen van de wolf, hoe kleiner de kans dat je met een dergelijke hond je eigen genetische Sovjet Unie in huis haalt.